Zo maken we fondsen vergelijkbaar.
Dezelfde vragen bij ieder fonds. Zichtbare bronnen, expliciete aannames en geen verborgen ranglijst.
Selectie en identificatie
De catalogus omvat actieve UCITS-registraties uit het ESMA-register voor grensoverschrijdende marketing, met een domicilie in de EER. Het is geen volledig wereldwijd register. Fondsen, compartimenten en overkoepelende structuren worden niet als afzonderlijke aandelenklassen geteld. Daarnaast bevat de website afzonderlijke aandelenklasseprofielen uit de HANSAINVEST-API. Die aanvullende selectie bestaat niet uitsluitend uit Nederlandse of als UCITS geverifieerde producten.
Een aandelenklasseprofiel hoort bij één ISIN. Een registerprofiel heeft een ESMA-ID en waar beschikbaar een LEI; dat is geen ISIN. We controleren naam, kosten en overige kenmerken bij de oorspronkelijke aanbieder. Ontbrekende gegevens blijven onbekend. Een vermelding van een banknaam in de fondscatalogus betekent niet dat we het assortiment of de beschikbaarheid bij die bank hebben vastgesteld.
Volgorde en vergelijkbaarheid
De fondszoeker staat standaard op naam A–Z. Een sortering op kosten gebruikt uitsluitend het vastgelegde kostencijfer met de bijbehorende maatstaf; onbekende cijfers komen achteraan. We combineren kenmerken niet tot één score.
Regio, categorie, risico en horizon kunnen verschillen. De vergelijking toont daarvoor een melding. Gelijke cijfers garanderen geen identiek risico; verschillende methodes of brondata kunnen de vergelijking beperken.
Welke kosten tonen we?
De tabel benoemt TER en lopende fondskosten afzonderlijk. Deze maatstaven kunnen een andere definitie en meetperiode hebben en zijn geen all-in kosten. De HANSAINVEST-API geeft een algemene profieldatum, maar geen afzonderlijke meetperiode van de TER. Interne transactiekosten blijven onbekend zolang ze niet actueel zijn gecontroleerd.
Bij profielen met alleen een TER vult de kostencheck geen jaarlijks fondstarief vooraf in: controleer het KID en kies zelf een onderbouwde aanname. Je vult daarnaast platform- en aankoopkosten in. Fondskosten bevatten doorgaans al de beheervergoeding. Tel geen kosten op die al in een ander totaal zitten. Gebruik bruto rendement vóór de ingevoerde kosten.
De rekenmethode
De maandfactor is (1 + bruto jaarrendement / 100)^(1/12). Na de maandgroei wordt over het vermogen één twaalfde van de som van de jaarlijkse percentages voor lopende fondskosten, interne transactiekosten en platformkosten afgetrokken. Daarna volgt de maandinleg, minus de vaste en procentuele aankoopkosten. Op de startinleg wordt eveneens één aankoopvergoeding toegepast.
Betaalde kosten tellen de maandelijkse en eenmalige inhoudingen op. Het totale vermogenseffect is het verschil met dezelfde inleg en rendementaanname zonder enige kosten. Het verschil tussen vermogenseffect en betaalde kosten is de invloed op samengestelde groei. Bij negatieve rendementen kan dat verschil negatief zijn.
Tarieven blijven constant. We modelleren geen minimum- of maximumtarieven, belastingen, inflatie, dividendlekkage, wisselkoersen, spreads, prestatievergoedingen of verkoopkosten. Er vindt geen eindverkoop plaats. Een horizon vanaf één geheel jaar is mogelijk; deze looptijd is een rekenscenario en geen advies.
Actualiteit en bronconflicten
De controledatum is het moment waarop wij de bron hebben nagekeken. De bron- of raadpleegdatum staat per document vermeld. We nemen geen aanname over de actualiteit van een document over omdat het vandaag is gedownload.
Bij conflicten controleren we eerst ISIN, kostendefinitie en documentdatum. Een nieuw document voor dezelfde klasse gaat voor een ouder zoekresultaat. Een gelijkende fondsnaam is onvoldoende om de gegevens van een andere aandelenklasse over te nemen.